De Apache*

Apache (waarschijnlijk van het woord Apachu ”vijand” het Zuni woord voor de Navaho.

De Apache bestaan uit een aantal stammen die de zuidelijke tak van de Athapaskan taal- familie vormen. De naam wordt ook gebruikt voor sommige niet verwante Yuma stammen, zoals de Apache Mohave (Yavapai) en Apache Yuma. De Apache noemen zichzelf de N’de, Dine, Tinde of Inde, “mensen”.
Begin 17de eeuw waren ze waarschijnlijk met niet zo velen als nu het geval is. Waarschijnlijk nam de stam in aantal toe als gevolg van het gevangen nemen van indianen van andere stammen zoals de Pueblos, Pima, Papago en andere vreedzame indianen.

De Apache migreerde naar Texas helemaal vanuit Canada. Ze arriveerden in de regio van de Texas Panhandle zo rond 1528.

Ze worden voor het eerst vernoemd als Apache door Onate in 1598, hoewel ook Coronado, de Querechos op de Plains van Oost New Mexico en west Texas ontmoette, waarschijnlijk de Jiccarilla en Mescalero van de moderne tijd. Vanaf de tijd van de Spaanse kolonisatie tot aan het einde van de 19de eeuw stonden de Apache bekend als oorlogszuchtige indianen. Ze plunderden zowel blanke als Indiaanse nederzettingen tot in het zuiden van Mexico. Er is geen groep indianen die zoveel verwarring heeft veroorzaakt onder de schrijvers dan de Apache. Als gevolg van hun rondtrekken ontstonden er verschillende namen voor dezelfde stam en werden verschillende stammen hetzelfde genoemd.
De Apache waren nomadische indianen en praktiseerde akkerbouw in beperkte mate, voordat zij zich definitief in reservaten vestigden. Zij leefden voornamelijk van de jacht en van eetbare wortels en vruchten. Hoewel er vis en beren in hun gebied voorkwamen werden deze niet gegeten omdat zij als voedsel taboe waren.

Voordat de Apache de paarden verkregen, was het te voet bejagen van de Bizons een pittige klus. Eén van de manieren, was om de kuddes op hol te laten slaan zodat zij in blinde paniek zo een ravijn inliepen. De achterste bizons zorgden ervoor dat de voorste het ravijn in werden geduwd. In het ravijn stonden Indianen met bogen en speren en deze maakte de klus verder af.
Al had de methode wel resultaat, deze manier van jagen was erg risicovol en vele Indianen werden dan ook doorboord door de horens van een op hol geslagen bizon, die natuurlijk veel sneller was dan een Apache te voet.

Maar op het moment dat de paarden in het bezit van de Apache kwamen veranderde er veel, de Indianen konden te paard de bizons goed bijhouden en zaten relatief veilig op het paard. Vanaf het paard vuurde zij pijlen af en doorboorde zij de bizons met speren. Ook waren zij in staat langere afstanden af te leggen en de bizons te volgen. Zo werd het de Indianen al snel duidelijk dat het bejagen van de bizons makkelijker was dan het verbouwen van het land en het bejagen van gewoon wild. Het waren met name de Plains- Apache die dan ook van jager-verzamelaar over schakelden, naar fulltime bizon jager.

Ze hadden slechts enkele vormen van kunst, maar de vrouwen waren bekend om hun kunst van het manden maken.
Hun hutten waren schuilplaatsen van struiken, die makkelijk opgezet konden worden door de vrouwen en waren zeer gericht op het klimaat en hun manier van leven.
De Apache zijn goede sprekers, zijn niet makkelijk te misleiden en betrouwbaar in het beschermen van zaken die hen in toevertrouwd worden.

De Apache zijn te verdelen in verschillende stammen en divisies: De Querechos of Vaqueros, bestaande uit de Mescalero, Jiccarilla, Faraones, Llaneros en waarschijnlijk de Lipan; De Chiricahua; de Pinalenos; de Coyoteros, bestaande uit de White Mountain en Pinal divisies; de Arivaipa; de Gila Apache, inclusief de Gilenos, Mimbrenos en Mogollones; en de Tontos.

 

Hoewel alle Apache dus bekend stonden als vijandelijk, zijn het toch de fouten die door de overheid gemaakt werden, die de laatste conflicten met de Apache hebben veroorzaakt. De belangrijkste conflicten aan het eind van de 19de eeuw vonden plaats met de Chiricahua onder de leiding van Cochise en later Victorio, die, samen met 500 Mimbrenos, Mogollones en Mescalero, toe werden gewezen aan het reservaat van Ojo Caliente in west New Mexico in 1870.
Cochise, die diverse malen had aangegeven niet in een reservaat te willen leven, ontvluchtte het reservaat in 1870 met zijn band, maar keerde in 1871 terug. Op dat moment leefden er tussen de 1200 en 1900 Apache in het reservaat. Klachten van naburige nederzettingen droegen bij aan hun verhuizing naar Tularosa, 60 mijlen ten noordwesten, maar 1000 van hen vluchtten naar het Mescalero reservaat aan de rivier de Pecos.
Cochise ging ondertussen op een nieuwe plundertocht.
Pogingen van het leger, in 1873, om een aantal gestolen kudden vee terug te halen, leidden tot de vlucht van nog eens 700 indianen uit het reservaat. Zij werden echter al snel achterhaald en gevangengenomen. Op verzoek van de indianen werden zij terug geplaatst in Ojo Caliente in 1874. Kort daarna stierf Cochise en de indianen begonnen interesse te tonen in de landbouw.
Tegen het jaar 1875 leefden er 1700 Apache in Ojo Caliente en zij leefden er rustig. In het jaar daarna werd het Chiricahua reservaat gesticht in Arizona en 325 indianen werden toegewezen aan het San Carlos agentschap. Anderen vertrokken naar hun verwanten in Ojo Caliente, terwijl nog een andere groep liever in de bergen bleef in hun oude reservaat of de grens over naar Mexico vluchtten. Geronimo en een aantal andere Chiefs, met de overgebleven bandleden en natuurlijk de naar Mexico gevluchte indianen, begonnen met het plunderen van zuid Arizona en noord Chihuahua, maar in mei werden 433 van hen gevangen genomen en terug gebracht naar San Carlos. Op dat moment wilde de overheid hun pijlen op de Apache van Ojo Caliente richten, die veel vooruitgang boekte met het blanke burgerschap. Echter troffen de ambtenaren er maar 450 van de 2000 indianen aan. In september werden opnieuw 300 Chihuahua, voornamelijk afkomstig uit Ojo Caliente gevangen genomen en terug gebracht naar Ojo Caliente, maar het grootste deel van hen vluchtten al snel weer.

 

Victorio

 

In februari van 1878 gaf Victorio zich over, in de hoop dat hij en zijn band in hun voormalige reservaat mochten blijven, maar ook zij werden opnieuw gedwongen om naar San Carlos te gaan. In juni verschenen de vluchtelingen opnieuw bij het agentschap van de Mescalero en er werden overeenkomsten gesloten zodat ze daar konden blijven, maar toen de overheid aanklachten vond tegen Victorio en anderen werden zij aangeklaagd voor moord en plundering. Victorio en enkele anderen sloegen wederom op de vlucht. De roep voor het ingrijpen van een aanzienlijk leger groeide, maar de Chiricahua die bij de conflicten betrokken waren boekten grote successen, waaronder een plundering waarbij 70 kolonisten werden vermoord. Voor april van het jaar 1880 werd Victorio vergezeld door circa 350 Mescalero en Chiricahua vluchtelingen uit Mexico en de plunderingen op de inwoners van New Mexico, Arizona en Chihuahua namen toe. Op 13 april arriveerden er 1000 manschappen, die aangevuld werden met andere troepen. Diverse malen stonden Victorio en zijn krijgers tegenover een veel grotere troepenmacht, maar met zijn 300 krijgers bracht Victorio het leger grotere schade toe dan hij zelf leed.
Tijdens deze plunderingen en conflicten kwamen er in New Mexico zeker 200 burgers om en in Mexico zelf een vergelijkbaar aantal. Op een bepaald moment was de groep van Victorio zelfs omsingeld door circa 2000 man cavalerie en een paar honderd indiaanse scouts, maar hij slaagde erin te ontsnappen en vluchtte de grens over naar Mexico waar hij verder ging met zijn plunderingen. Echter hij zou de strijd niet winnen. Hij werd achterna gezeten door zowel het leger van de VS als het leger van Mexico en toen beide legers de handen ineen sloegen, leed Victorio zware verliezen en viel zijn band uiteen. In oktober 1880 liep het Mexicaanse leger de groep van Victorio tegen het lijf, bestaande uit 100 krijgers, met 400 vrouwen en kinderen, bij Tres Castillos. In de avond werden de indianen omsingeld en aangevallen. De strijd duurde tot in de ochtend, maar toen raakte de munitie van de indianen op, maar zelfs toen weigerden zij zich over te geven. Uiteindelijk stierf Victorio die inmiddels zwaar gewond was geraakt. Deze ramp, leidde er echter niet toe dat de vijandelijkheden afnamen. Victorio werd opgevolgd door Nana, die de verdeelde groep weer verzamelde. Hij kreeg ook versterking van een aantal Mescalero en San Carlos Chiricahua en tussen juli 1881 en april 1882 hervatte hij de plundertochten over de grens, tot hij teruggedrongen werd naar Chihuahua. Terwijl deze vijandelijkheden in Chihuahua en New Mexico plaats vonden, terroriseerden de San Carlos Chiricahua de nederzettingen in Arizona. In juli 1880 werden Geronimo en Juh, samen met 108 volgelingen gevangen genomen en teruggebracht naar San Carlos.

 

Geronimo

 

 

In 1881 ontstonden er problemen bij de White Mountain Coyoteros aan Cibicu Creek, dankzij een medicijnman Nakaidoklini genaamd. Deze beweerde dat hij de kracht had om de doden te doen herrijzen. Zijn volgelingen wilden natuurlijk getuigen zijn van zijn kunsten en toen zij in afwachting waren van de herrijzenis , bleek al snel dat dit niet ging gebeuren. De medicijnman verklaarde dat het de schuld was van de aanwezigheid van de blanken. De situatie liep hierdoor uit de hand en er werd een bevel tot arrestatie uitgevaardigd voor de medicijnman. Deze gaf zich over, maar toen de soldaten hun kamp opsloegen werden zij aangevallen door de indianen. Na een gevecht, kwam de medicijnman om het leven en werden zijn volgelingen teruggeslagen. Gedurende de rest van de dag duurde de schermutselingen voort en ook de volgende dag. Maar het leger kreeg versterkingen en al snel gaven de indianen zich in kleine groepjes over. Twee Chiefs, Bonito en George genaamd, hadden niet deelgenomen aan de White Mountain rellen en gaven zich over. Ze werden meteen weer voorwaardelijk op vrije voeten gesteld.

Op 30 september werd kolonel Riddle op pad gestuurd om beide Chiefs en hun bands naar Kamp Thomas te brengen, maar ze werden gealarmeerd en vluchtten naar de Chiricahua. In dat zelfde jaar hield Nana een loedige plundering over de grens en vluchtten Juh en Nahche, met een groep Chiricahua uit hun reservaat. Zij werden achterna gezeten door het leger en waren gedwongen naar Mexico te vluchten, waar zij in april 1882 vergezeld werden door Geronimo en de rest van de vijandelijke Chiricahua van San Carlos, met Loco en zijn Ojo Caliente band. De vijandelijkheden van Geronimo en andere leiders waren waarschijnlijk ernstiger dan die plaats hadden gehad in de VS. In maart 1883, viel Chato met 26 volgelingen een nederzetting in Mexico aan en ze vermoorden 12 blanken.

Ondertussen gebruikten de kolonisten aan de bovenstroom van de rivier de Gila, zoveel water dat er niet genoeg overbleef voor de akkers van de indianen.
Toen werd er steenkool ontdekt in het reservaat en een groot aantal mijnbouwers trok het gebied binnen . Nadat generaal Crook opnieuw benoemd werd tot het commando over het reservaat in 1882, haalde jij ongeveer 1500 van de vijandelijke Apache over om terug te keren naar het reservaat. De rest, ongeveer 3/4 van de stam, weigerden om in het reservaat te gaan leven en gingen weer op oorlogspad. Zij werden echter al snel achternagezeten door Crook en gaven zich over met de belofte om vreedzaam te gaan leven. Echter j zouden zij al snel die belofte breken.
In mei van het jaar 1883, trok Crook, met 50 troepen en 163 Apache scouts, de grens bij de hoofdwateren van de Rio Yaqui over. Op 13 mei ontdekte hij het kamp van Chato en Bonito en hij viel het kamp aan waarbij enkele indianen omkwamen. Door twee gevangengenomen indianen als tolk in te zetten, ontstonden er onderhandelingen en tot 29 mei hadden 354 Apache zich overgegeven.

Op 7 juli hervatte het departement van oorlog, de politie controle in het reservaat van San Carlos en op 1 september werden de indianen onder het commando van Crook geplaatst, die hen begon te trainen in het leven op blanke wijze. Hij boekte hier succes mee en in 1884 oogsten de Apache 4.000 ton graan, groenten en fruit. In februari 1885 werd de macht van Crook ingeperkt, een maatregel die zou leidden tot een conflict tussen de militaire en burgerlijke overheid. Voordat deze situatie kom worden opgelost, vluchtte de helft van de Chiricahua uit het reservaat en trokken naar hun favoriete gebieden.
Opnieuw werden er troepen en Apache verkenners op pad gestuurd en er vonden verschillende schermutselingen plaats. Ook hervatten de Apache hun plundertochten waarbij 73 voornamelijk blanke en vreedzame Apache omkwamen in New Mexico en Arizona. In januari van het jaar 1886, werd het kampement van kapitein Crawford aangevallen door Mexicaanse troepen als gevolg van een misverstand. Crawford kwam bij de aanval om het leven.
In maart van het jaar erna, werden de Apache moe van de strijd en vroegen zij om een bijeenkomst. Crook stemde hiermee in, maar voordat alle Apache zich overgaven, veranderde Geronimo van mening en hij en zijn band sloegen opnieuw op de vlucht. Zijn vlucht leidde tot een verandering van aanpak en generaal Crook werd op eigen verzoek vervagen door generaal Miles. Uiteindelijk gaven Geronimo en zijn band zich over op 4 september 1886 en samen met een aantal vreedzame Apache werd hij naar Florida getransporteerd als gevangene. Later werden zij naar Mt. Vernon in Alabama gebracht om vervolgens naar Fort Sill in Oklahoma te worden gebracht. Daar werden de Apache geciviliseerd. Sommige van de vijandelijke Apache werden nooit gevangen genomen en bleven in de bergen. Zelfs nog in November 1900 manifesteerde zich hun vijandelijkheid, door een aanval op mormonen die in Chihuahua leefden.…..

Apache kinderen