De Frans – Iroquois oorlogen ( Beaver Wars 1642- 98).*

De Frans en Iroquois oorlogen worden ook wel de Beaver wars genoemd en verwijzen naar een aantal hevige conflicten rond 1650 in het oosten van Noor Amerika. In deze periode gingen de Iroquois op zoek naar nieuw grondgebied om zo hun monopolie over de bonthandel te verkrijgen. Bij dit conflict ontstonden er twee groepen Indianen stammen. Aan de ene kant stonden de stammen van de Iroquois onder de leiding van de oorlogszuchtige Mohawk en daar tegenover stonden de Algonkin stammen van de Grote meren.

De oorlogen die gevochten werden waren erg “hard” en worden gezien als de meest bloedige series conflicten uit de geschiedenis van Noord- Amerika. Als gevolg van de enorme gebiedsuitbreidingen van de Iroquois werd de gehele geografie van de Noord Amerikaanse stammen veranderd en werden veel stammen gedwongen te verhuizen naar andere gebieden. Een aantal grote confederaties van stammen werd vernietigd zoals de confederatie van de Huron, Neutrals, Eries en Susquehannock, terwijl andere stammen naar het westen van de Mississippi werden verdreven. Het gebied in Ohio en de gebieden aan het beneden schiereiland van Michigan waren op een gegeven moment verlaten van stammen omdat deze alle op de vlucht waren geslagen voor de Iroquois. Zowel de stammen van de Iroquois als die van de Algonkin werden ernstig verstoord door de oorlogen. De strijd nam pas af toen de Iroquois, de Hollanders als bondgenoten verloren en de Fransen steeds meer toenadering tot deze Iroquois zochten omdat zij hen graag als bondgenoot tegen de Engelsen wilden hebben. Uiteindelijk werden de Iroquois de handelspartners van de Engelsen, een belangrijk voorwaarde voor de Engelse expansie van Amerika

 

De eerste verslaglegging betreffende de St. Lawrence vallei beginnen met de reizen van Jacques Cartier in de jaren 1540. Cartier spreekt over een ontmoeting met de Iroquois van de St. Lawrence, ook wel bekend onder de naam Stadaconans of Laurentians. Zij leefden in een aantal versterkte dorpen waaronder Stadacona en Hochelaga. Cartier doet verslag van het feit dat zij op voet van oorlog stonden met een andere stam, de Toudamans die het jaar daarvoor een van hun dorpen hadden verwoest waarbij 200 doden waren gevallen. Als gevolg van verschillende continentale oorlogen en de politiek verslapte de Franse aandacht voor de kolonisatie van de vallei van de St. Lawrence tot aan het begin van de 17 de eeuw. Toen de Fransen terugkeerden, verbaasden zij zich erover dat de beide dorpen, Stadacona en Hochelaga, verlaten waren en compleet verwoest door een vijand.

Sommige historici wijzen de confederatie van Iroquois aan als de daders van de verwoesting maar er is geen bewijs dat zij dit gedaan zouden hebben. De orale traditie van de Iroquois, zoals vastgelegd in de Jezuïet Relations, spreken van een uitputtende oorlog tussen de Mohawk Iroquois en een alliantie van de Susquehannock en de Algonkins, ergens tussen 1580 en 1600. Dus, toen de Fransen opnieuw in het gebied verschenen rond 1601, was de St. Lawrence vallei al jaren het decor van een bloedige strijd. Inderdaad, toen Samuel de Champlain in Tadoussac arriveerde aan de St. Lawrence, werden hij en zijn kleine gezelschap, onmiddellijk door de Montagnais, Huron en Algonkin gerekruteerd om hen te helpen bij het aanvallen van hun vijanden. De verhoudingen tussen de Fransen en de Iroquois waren niet al te harmonieus aan het begin van de 17 de eeuw. De eerste ontmoeting vond plaats toen Champlain in het gezelschap van zijn Algonkin bondgenoten, betrokken raakten bij een korte schermutseling aan de oevers van het Champlain meer. Champlain zelf doodde drie Chiefs met een arquebus. In 1610, hielpen Champlain en zijn arquebus dragende maten, een warparty van de Algonkin en Huron bij het verslaan van een grote groep plunderende Iroquois. In 1616, vergezelde Champlain een groep plunderaars van de Huron en nam hij deel aan het beleg van een dorp van de Iroquois , waarschijnlijk één van de Onondaga. Het beleg mislukte uiteindelijk en Champlain raakte gewond bij de poging.

Tegen de jaren 1630, echter, waren de Iroquois ook bewapend met Europese wapens als gevolg van hun handel met de Hollanders en zetten zij hun groeiende kennis over de arquebus ten gunste van zichzelf in bij hun strijd tegen de Algonkin, Huron en andere traditionele vijanden. Ondertussen hadden de fransen een verbod uitgevaardigd om nog wapens aan de indianen te verkopen, hoewel er nog wel arquebussen aan hen werden gegeven wanneer de indianen zich tot het christendom bekeerden. In het begin richtten de Iroquois zich nog bij hun strijd tegen hun traditionele vijanden de Huron, Algonkin, Mahican en Montagnais, maar als gevolg van het bondgenootschap van deze stammen met de Fransen raakten de Iroquois ook steeds vaker in conflict met de franse kolonisten.

Sommige geschiedkundigen denken dat het conflict in een stroomversnelling kwam als gevolg van een tekort aan bevers in het gebied dat door de Iroquois beheerst werd. Ten tijden van het conflict beheerste de Iroquois een gebied dat liep van het huidige New York tot aan het zuiden van het Ontario meer en westwaarts tot de rivier de Hudson. Het gebied van de Iroquois was dan ook een etnisch eiland, aan alle kanten omsingeld door Algonkin sprekende stammen, inclusief de Shawnee in het westen en ook de Iroquois sprekende Huron in het noorden langs de rivier de St. Lawrence, die geen deel uit maakten van de confederatie van Iroquois.

Met de vestiging van Hollandse handelsposten aan de Hudson, in de jaren 1620, waren de Iroquois en dan met name de Mohawk, afhankelijk geworden van de handel om zo aan vuurwapens en andere Europese goederen te komen. Als gevolg van de introductie van vuurwapens het gebied, werd de afname van de populatie bevers wel versneld, zo erg zelfs dat tegen het jaar 1640, de bever zo goed als verdwenen was in de vallei van de Hudson. Als gevolg hiervan verplaatste het centrum van de handel in beverhuiden zich noordwaarts, richting de koudere gebieden langs de St. Lawrence rivier. Hier waren de Huron echter de baas en zij waren de belangrijkste handelspartners van de Fransen in New France. De Iroquois, die zichzelf de meest ontwikkelde en geciviliseerde stam vonden, voelden zich echter misdeeld in de bonthandel door de andere stammen in de regio. Bedreigd door diverse ziekten en een afnemende bevolking begonnen de Iroquois met een agressieve campagne om hun grondgebied uit te breidden.

 

De Iroquois aanvallen in New France.

 

In principe begon de oorlog begin jaren 1640, met de aanvallen van de Iroquois op de Wyandot dorpen langs de St. Lawrence rivier. Het doel van de aanvallen was om de handel van de Wyandot met de Fransen te verstoren. In 1649, lanceerden de Iroquois een verwoestende aanval in het hart van het gebied van de Wyandot en verwoesten zij verschillende sleuteldorpen en vermoorden zij honderden inwoners, zoniet duizenden, waaronder een aantal Jezuïtische missionarissen. Vervolgens trokken de overgebleven Wyandot er op uit om hulp te vragen van de Anishinaabek confederatie in het gebied van de grote meren. Het gat dat nu was ontstaan in de bonthandel met de Fransen werd opgevuld door de Oodaawaa stam ofwel de Ottawa.

Aan het begin van de jaren 1650, begonnen de Iroquois met hun aanvallen op de Fransen. Sommige van de stammen van de confederatie van Iroquois (zoals de Oneida en Onondaga) stonden op vriendschappelijke voet met de Fransen, maar zij werden overheerst door de Mohawk, De Mohawk waren de sterkste stam binnen de confederatie en zij stonden negatief tegenover de aanwezigheid van de Fransen. Chief Canaqueese ondernam nog een poging om een vrede te bewerkstelligen maar toen dit mislukte trokken de Iroquois war party’s noordwaarts richting het leefgebied van de Fransen, langs het Champlain meer en de Richelieu rivier. Daar vielen zij Montreal aan en vormden zij een blokkade. Meestal bestonden deze aanvallen uit een kleine warparty, die een afgelegen boerderij of nederzetting door de bossen benaderden, om de blanken vervolgens snel aan te vallen en vrouwen en kinderen gevangen te nemen die vervolgens naar het Iroquois thuisgebied werden gebracht en opgenomen werden in de stam.

Hoewel deze aanvallen niet constant plaats vonden hadden zij wel een groot effect op de inwoners van New France en de kolonisten voelden zich in de eerste instantie machteloos deze te voorkomen.

 

De Iroquois expansie naar het westen.

 

Op het zelfde moment dat de Iroquois hun aanvallen in het noorden begonnen, begonnen zij ook met een grote gebiedsuitbreiding naar het westen, langs de Grote meren. Tegen het jaar 1650 beheersten zij een gebied van Noord- Amerika dat liep van de Virginia kolonie in het zuiden tot aan de St. Lawrence. In het westen, waren de Iroquois betroken bij een grote campagne van verovering. Geleid door de Seneca, vernietigden de war party’s van de Iroquois eerst de machtige confederatie van de Neutrals, een stam die in zuid Ontario leefden en die met net zo velen waren als de Iroquois. Alleen beschikten zij niet over de Europese vuurwapens. Daarna roeiden de Iroquois een andere grote stam uit, de Erie of ook wel de natie van de Cat genoemd. De Erie leefden aan de oevers van het Erie meer. Vervolgens verdreven zij de Algonkin sprekende Shawnee uit de vallei van de Ohio rivier en pakten zij de controle over het Illinois gebied tot aan de Mississippi rivier.

Als gevolg van de gebiedsuitbreiding van de Iroquois en de oorlog met de confederatie van de Anishinaabek, werden oostelijke stammen, zoals de Lakota, gedwongen de Great Plains op te trekken. Andere vluchtelingen trokken het gebied van de Grote Meren binnen met als gevolg dat zij in conflict raakten met de originele bevolking van het gebied. De meeste strijd tijdens de oorlog vond echter plaats tussen de confederatie van de Anishinaabek en de confederatie van de Iroquois. Een van de laatste grote veldslagen die plaats vonden was op de plaats die nu Wasaga Beach genoemd word.

 

De tegenaanval van de Fransen.

 

Met de komst van een klein contingent Franse beroepssoldaten veranderde de oorlog echter. Deze groep was het carignan- salieres regiment en met hun bruine uniformen waren zij de eerste groep beroepsoldaten die voet zette op het huidige Canadese grondgebied. In het zuiden verloren op dat moment ook de Hollanders hun controle over de bonthandel en over de New Hollandse kolonie aan de Engelsen.

In januari 1666, vielen de Fransen het thuisgebied van de Iroquois binnen geleid door de aristocraat Alexander de Prouville, die op dat moment de belangrijkste bestuurder van New France was. Hoewel de invasie afgebroken werd namen de Fransen wel Chief Canaqueese gevangen, In september van dat jaar trokken de Fransen langs de Richelieu rivier en marcheerden voor de tweede keer het thuisgebied van de Iroquois binnen. Zij slaagden er echter niet in om het leger van de Iroquois te vinden en daarom hielden zij het alleen maar bij het verbranden van de oogst en de huizen. Veel van de Iroquois stierven een hongersdood in de winter die daarop volgde. Uiteindelijk kwam het zelfs tot een vrede tussen de Iroquois en de Fransen, een vrede die een generatie stand hield. Veel van de beroepsoldaten die naar New France waren gekomen besloten ook om te blijven en als kolonisten veranderden zij het demografisch geheel nogal. De soldaten waren stuk voor stuk geharde mannen die nog tegen de Turken hadden gevochten, hun taalgebruik was grof en hun manieren lomp en de hoop van de lokale kerkgangers dat er een rustig nederzettinkje aan de oevers van de St. Lawrence zou ontstaan verdween totaal. Na de opheffing van het regiment in 1667 omdat er een vrede met de Iroquois was, ondernamen de ambtenaren van de kolonie stappen om een goede burger militie op te zetten. Alle mannen tussen de 16 en 65 jaar kregen een musket en munitie en moesten zich beschikbaar stellen voor militaire dienst.

 

Hervatting van de oorlog.

 

De oorlog tussen de Fransen en de Iroquois brak opnieuw uit toen de gouverneur Louis De Buade in 1683 op agressieve wijze probeerde om de bonthandel in het westen over te nemen om zichzelf te verrijken. Hier hadden de Iroquois natuurlijk last van en er brak een nieuwe oorlog uit die tien jaar zou duren en net zo bloedig als de eerste was.

Nu de vijandelijkheden opnieuw waren uitgebroken werd de burger militie versterkt met reguliere troepen van de Franse marine, de Compagnies Franches de la Marine. Dit zou later de langst dienende groep soldaten in New France worden en kan men zien als het eerste professionele leger van Canada. De officieren dienden zowel in het beroepsleger als in de burgermilitie en allen bekleden zij een belangrijke positie in deze kolonie. De militie samen met de beroepsoldaten kleedden zich op dezelfde wijze als hun bondgenoten de Algonkin en ook voerde zij op een zelfde manier oorlog. Ze ondernamen lange stille tochten door de wouden om vervolgens plotseling toe te slaan. Dit was dezelfde manier van oorlogvoeren die de Iroquois ook op de Fransen hadden toegepast. Langzaam aan trokken de Iroquois zich terug en richtten het Franse leger zich op dezelfde wijze op de Engelse nederzettingen. De meest bekende overvallen van de Fransen op een Engelse nederzettingen vonden plaats in 1690 en hun doelwitten waren Schenectady in het huidige New York, Salmon Falls, New Hampshire en Portland, Maine. Net als bij de aanvallen van de Iroquois werden ook hier de inwoners afgeslacht of als gevangenen afgevoerd.

 

De Grote Vrede.

 

Uiteindelijk vroegen de Iroquois, die zichzelf als zwarte schapen zagen in een door de Engelse geregisseerde oorlog, om een vrede. De Fransen hadden ook een groot belang bij een vrede omdat de Iroquois een buffer vormden tussen hen en de Engelsen in het zuiden. De Grote Vrede werd in 1701 in Montreal getekend door 39 Chiefs, de Fransen en de Engelsen. In het verdrag stemden de Iroquois ermee in om te stoppen met alle vijandelijkheden en dat de vluchtelingen in het westen terug mochten keren naar hun originele thuisgebieden in het oosten. Uiteindelijk waren het de Shawnee die de heerschappij kregen over het Ohio gebied en de beneden Allegheny rivier.