De Chinook*

Chinook ( van het Tsinuk, hun Chehalis naam). Dit is de meest bekende stam van de Chinookan familie.

Zij leefden in het gebied aan de noord zijde van de rivier de Columbia, Washington, vanaf de mond tot aan Grays Bay, een afstand van ongeveer 15 mijlen en Noordelijk langs de zeekust, zover als het noordelijk deel van van Shoalwater Bay, waar zij in aanraking kwamen met de Chehalis een Salish stam. De Chinook werden voor het eerst beschreven door Lewis en Clark, die hen bezochten in 1805. Het is echter bekend dat de Chinook al door handelaren bezocht werden 12 jaren daarvoor. Lewis en Clark schatte het aantal Chinook op 400, maar daarmee verwezen zij alleen naar de Chinook die aan de rivier de Columbia leefden. Swan spreekt over een aantal van 112 in 1855, maar rond die tijd waren een groot aantal Chinook al opgegaan in de Chehalis, met wie ze sindsdien helemaal zijn gefuseerd en als gevolg daarvan is hun tal helemaal uitgestorven. De Chinook stonden al snel bekend als gevolg van hun relaties met de handelaren en vanwege het gebied dat zij bewoonden. Hun taal vormde de basis voor het wijdverspreide Chinook jargon, wat eerst gebruikt werd als de handelstaal. Nu is het een manier van communiceren van California tot aan Alaska. Het deel van de stam dat rond de Shoalwater bay woonde werd Atsimil genoemd. De volgende divisies en dorpen zijn bekend: Chinook, Gitlapshoi, Nehmah, Nisal, Palux, Wharhoots.

Chinook meisje

 

Wasco & wishram

 

Wasco (van het woord wacqlo wat kop of kleine schaal betekend) verwijst naar de vorm van de rots die vlak bij hun belangrijkste dorp lag. Het is een stam uit de Chinook taalfamilie die vroeger aan de zuidzijde van de Columbia rivier leefden. Deze stam samen met de Wishram (ook bekend onder Tlakluit en Echeloot) aan de noordelijke zijde van de Columbia, waren de meest oostelijk levende substammen van de Chinook. De stammen waren bijna identiek qua levensstijl, cultuur en taal. Toch zijn beide stammen in aparte reservaten geplaatst. In het noordoosten en zuiden grensde zij aan de Shahaptian stammen en in het westen aan de gerelateerde Chinook stammen(White Salmon and Hood River Indianen, Mooney' a Chiluktkwa en Kwikwnlit).

Zij deden mee aan het verdrag van 1855 en verhuisden naar het Warm Springs reservaat in Oregon , waar er nu nog zo’n 200 leven.

De Wasco bewoonden een aantal verschillende dorpen,waarvan er sommige alleen in de winter of tijdens de zalmvangst werden gebruikt. De namen van deze dorpen zijn van oost naar west: Hlgaliacha, Igiskhis, Wasko (een paar mijlen boven het huidige The Dales), Wogupan, Natialalaik, Gawobumat, Hliekala-imadik, Wikatk, Watsokus, Winkwot (bij The Dalles) Hlilwaihldik, Hliapkenun, Kabala, Gayahisitik, Itkumahlemkt, Hlgaktahlk, Tgahu, Hliluktik, Gahlentlich, Gechgechak, Skhlalalis.De Wasco waren een sedentaire stam en leefden voornamelijk van de visvangst(verschillende soorten zalm, zuigvissen, steuren en alen) en in mindere mate van het verzamelen van eetbare wortels, bessen en heel soms de jacht op klein wild.De zalmen werden gevangen in de lente en herfst, gedeeltelijk met schepnetten, maar ook met de speer. Kleinere vis werd gevangen met een haak of soorten visfuiken. Vaste visplekken waar een erkende vorm van eigendom. De vangst van de eerste zalm van het seizoen ging gepaard met een ceremonie en moest leidden tot een goede vangst. Geplette zalmvlees werd meestal voor de winter opgeslagen en vormde een belangrijk handelsproduct.

De kledingdracht van de Wasco bestond uit dekens van dierenhuiden(beer, hert, wolf, coyote en berggeit)shirts zonder mouwen gemaakt van coyote- of wasbeerhuiden, lendendoeken van wasbeer en Moccasins van hertenhuid, handschoenen en sneeuwschoenen werden van Coyotehuid gemaakt. Ze gebruikten twee soorten hutten;het meestal gedeeltelijk ondergronds gebouwde huis bedekt met de bast van de Cedar en ingebouwde platforms op om te slapen en het zomerhuis met een frame van palen en een bedekking van Cedar bast. De meeste hutten hadden meerdere vuurplaatsen en huisvestte drie of vier families. Regelmatig maakten ze gebruik van de zweethut. Tijdens hun jeugd werd het voorhoofd afgeplat en werden de oren doorboord met vijf gaten in ieder oor. Volwassenen van wie het voorhoofd niet afgeplat was werden gezien als lager in rang. Pubertijd rituelen werden gehouden voor zowel jongens als meisjes en zij hadden de gebruikelijke taboes, met het volwassen worden werd er een menstruatiedans gehouden en moesten de jongens op zoek naar kracht en een of meer beschermgeesten.

Wanneer een persoon begraven werd, dan werd hij of zij op een blank gelegd en in een “dode mensen huis” gelegd. Soms werden slaven levend met een Chief begraven om hem te vergezellen in de volgende wereld. Er bestonden 3 verschillende klassen binnen de stam; Bovenaan stonden de Chiefs, daaronder kwamen de gewone mensen en dan kwamen de slaven( die gevangen werden genomen). Zij hadden geen clan of totem organisatie en het dorp was de belangrijkste sociale eenheid. De religie bestond uit het verkrijgen van persoonlijke beschermgeesten. Deze kon je vergaren door middel van spirituele zoektochten. De belangrijkste ceremoniële dansen waren de menstruatie dans, de bescherm geest dans en de scalpdans. De meest belangrijke feit in de mythologie van de stam is de rol die de coyote speelt, als cultureel held en transformeerder.

 

Chinook Man& Chinook vrouw

 

Klikitat (in het Chinook: “achter”, wat verwijst n naar het Cascade gebergte). Een Shahaptian stam, wiens voormalige verblijfplaats bij de hoofdwateren van rivieren de Cowlitz, Lewis, White Salmon en Klickitat, ten noorden van de rivier de Columbia, lag. Hun oostelijke buren waren de Yakima, die een nauw verwante taal spraken. Ten westen van hen leefden diverse Chinook en Salishan stammen.

In 1805 vermelden Lewis en Clark dat de stam in de winter aan de rivieren de Yakima en Klickitat leefden en zij schatten het aantal Klikitat op 700.

Tussen 1820 en 1830 werden de stammen van de Willamette vallei, bezocht door een epidemie van koorts en nam het aantal stamleden fors af. Gebruik makend van hun zwakte, staken de Klikitat de rivier de Columbia over en trokken naar de Umpqua vallei in het zuiden. De bezetting van dit gebied was echter maar tijdelijk, want al snel werden ze gedwongen terug te keren naar hun oude leefgebied ten noorden van de Columbia.

De Klikitat waren altijd al actieve en ondernemende handelaren en als gevolg van hun centrale ligging stonden zij bekend als de intermediairs met de stammen van de oostkust. Zij voegden zich bij de groep die het Yakima verdrag van 9 juni, 1855, tekenden. In dit verdrag deden zij afstand van hun woongebieden, aan de VS. Op dit moment leven ze in het Yakima reservaat in Washington, waar zij zo zijn samengesmolten met de andere stammen dat een schatting van het aantal Klikitat niet meer te maken is. Van de groepen in het reservaat, die nog erkend worden, zijn de Topinish waarschijnlijk het meest verwant aan de Klikitat en kunnen beschouwd worden als een tak van de Klikitat. De Taitinapam spreken een vergelijkbare taal net als een kleinere groep.

 

 

Watlala.

 

Een divisie van de Chinook familie. Zij leefden bij de watervallen van de rivier de Columbia, in ieder geval tijdens hun latere periode, aan de rivier de DOG, ongeveer halverwege de watervallen en de Dallas, in het gebied Wasco in Oregon. Vroege schrijvers benoemen diverse stammen in het gebied van de watervallen, maar de populatie veranderden snel als gevolg van het feit dat het een belangrijk visgebied was en in plaats van over stammen te spreken, kun je beter van dorpen spreken. Na een epidemie in 1829, lijkt het erop dat de Watlala de enige overgebleven stam was en waarschijnlijk zijn de overlevende van de epidemie verder gegaan onder die naam. De blanken noemden hen echter meestal de Indianen van de watervallen. In 1854 werd er gerapporteerd dat er nog 80- van hen waren. In 1855 sloten zij zich aan bij het verdrag van Wasco onder de namen” Ki-gal-twal-la band van de Wasco’s” en de “ Dog River band van de Wasco’s” en werden zij verplaatst naar het “Warm Springs reservaat” in Oregon. Hier overleefden een aantal van hen. De term Watlala word door schrijvers ook wel gebruikt om er alle stammen van de Boven- Chinook, mee te omschrijven. De stammen die de schrijvers omschreven als Watlala, bestonden onder andere uit de Cathlakaheckit, Cathlathlala, Cathlayackty, Clahclellah, Katlagakya en Yehuh.

 

Cathlacomatup.

Een Chinook stam die volgens Lewis en Clark in 1814, aan de zuidzijde van het eiland Sauvies, in het huidige Multnomah gebied in Oregon leefden. Hun aantal werd geschat op 170

 

Cathlacumup.

Een Chinook stam die vroeger op de westoever van de beneden mond van de rivier de Willamette, bij de rivier de Columbia, leefden Lewis en Clark schatte hen op een aantal van 450 in 1806. Zij worden ook door Lane vernoemd in 1850 in combinatie met de Namoit en Katlaminimim.

 

Cathlakaheckit.

Een Chinook stam die aan de watervallen van de Columbia leefden, in 1812. Het aantal word geschat op 900.

 

Cathlamet.

Een Chinook stam die destijds aan de zuidoever van de rivier de Columbia leefde, vlak bij de mond van die ivier, in Oregon. Zij leefden tegen het gebied van de Clatsop aan en claimden het gebied vanaf Tongue Point tot aan de buurt van Puget Island. In 1806, schatten Lewis en Clark het aantal op 300. In 1849, vermeld Lane dat er nog 58 van hen in leven waren, maar nu zijn ze uitgestorven. Waarschijnlijk leefden ze in één dorp, dat ook Cathlamet genaamd was. Het dialect Cathlamet werd door diverse Chinook stammen gesproken, zowel aan de zuid als noord oever van de rivier de Columbia. Het word beschouwd als, horende bij de Boven Chinook divisie van de groep.

 

Cathlanahquiah ( mensen van de rivier).

Een Chinook stam die volgens Lewis en Clark, in 1806 op de westoever van de rivier de Wappatoo, nu het Multnomah gebied, in Oregon leefden. Ze waren met circa 400 zielen.

 

Cathlapotle (mensen van de Lewis- rivier).
Een Chinook stam die voormalig aan het beneden deel van de rivier de Lewis en op de zuidoever van de rivier de Columbia, in Clark County, leefden. In 1806 schatten Lewis en Clark het aantal op 900, levend in 14 grote houten huizen. Hun belangrijkste dorp was Nahpooitle.

 

Cathlathlalas

Een Chinook stam, die aan beide oevers van de rivier de Columbia leefde, net iets onder de watervallen. Het aantal werd geschat op 500 in 1812.