De persoonlijke oorlog van Willem Kieft

(Kieft’s War- Wappinger War 1643- 45)

 

Voor een korte periode bestuurden de Hollanders een van de meest democratische, tolerante en sociaal liberale nederzettingen in de nieuwe wereld. Het contrast is echter dat één van zijn gouverneurs, Willem Kieft, voor altijd bekend zal staan als de tiran va New Amsterdam. Tijdens zijn bestuursperiode vonden meer dan duizend Indianen (mannen vrouwen en kinderen) de dood. Zijn manier van oorlog voeren was zo gruwelijk dat er zelfs bij de Hollandse regering van die tijd klachten binnen kwamen over het feit dat de indianen levend werden onthoofd en verbrand. “ Jonge kinderen, sommige van hen weggenomen bij hun moeders, werden in stukken gehakt voor de ogen van hun ouders en de stukken werden in het vuur gegooid of in het water; andere baby’s werden op planken gebonden om vervolgens gestoken en verschrikkelijk mishandeld te worden”

 

Terwijl de Engelsen aan land kwamen op zoek naar het theologische Utopia, immigreerden de Nederlanders met maar één reden: om geld te verdienen. In feite kunnen de Hollanders zelfs claimen het geld in de nieuwe wereld te hebben uitgevonden. De Ontdekker Adriaan Block realiseerde zich dat de gepolijste schelpen van de Pequot, erg gewild waren bij de Mohawk in het Noorden. Deze Mohawk hadden daarin tegen weer veel bont en de Hollanders wierpen zichzelf al snel op als tussen handelaren. De Pequot kregen de Europese goederen, de Mohawk hun Wampum en de Hollanders hun bont.

 

De relaties tussen de Hollanders en de indianen begon bemoedigend. De directeur van de WIC, Johannes de Laet schreef:” De indianen zijn vriendelijk als ze goed worden behandeld en de gouverneur, Willem Verhulst kreeg vanuit Holland de instructie om de indianen goed te behandelen en hun landclaims te respecteren.

Logischer wijs konden er echter geen problemen uitblijven tussen twee van zulk verschillende culturen. Sommige van deze incidenten kwamen echter voort uit beoordelingfouten. In 1622 vond er een dergelijk incident plaats bij een Hollandse handelspost aan de Connecticut rivier. Om hun monopolie positie in de bonthandel te behouden voelen de Pequot een groep Mattabesic aan die naar de handelspost waren gekomen. De Hollandse handelaar nam hierop een Sachem van de Pequot in gijzeling en toen de Pequot een losgeld betaalden voor de Sachem, pakte hij het aan en vermoordde vervolgens toch de Sachem. De Pequot namen wraak door de handelspost in de brand te steken.

 

In 1624 brachten de Hollanders dertig Hollandse gezinnen naar het noorden en begonnen met de bouw van Fort Oranje aan de westoever van de Hudson rivier bij Albany. Hoewel dit een plek met vele pelzen was, was er ook een oorlog tussen de Mahican en de Mohawk gaande. Zowel de Franse als de Hollandse kolonisten beperkten toen nog de levering van vuurwapens aan de indianen, maar als gevolg van de toenemende concurrentie van andere Europese kolonisten, stopte men met deze beperkingen. Twee jaar later vergezelden een groep Hollandse kolonisten de Mahican bij een aanval op een Mohawk dorp. De Mohawk sloegen terug en doodden vier Hollanders inclusief Daniel van Crieckenbeeck de bevelhebber van hun fort, voordat de vrede werd hersteld.

 

De invloed van de Hollandse kolonisten gecombineerd met de oorlogszucht van de indianen leidde ertoe dat de Hollanders een nederzetting aan de voet van het eiland Manhattan vestigden. In 1626 kocht Peter Minuit, toe de directeur van New Amsterdam het eiland van de Indianen van Manhattan voor het bedrag van vijfentwintig dollars aan handelsgoederen. Vervolgens verplaatste hij kolonisten uit Fort Oranje, uit Connecticut en uit Deleware naar de nieuwe nederzetting. Op dat moment bestond de nieuwe kolonie uit niet meer dan een paar hutten, zandpaden en een opslagplaats voor de handelsgoederen. Langzaam aan kregen de Hollanders echter last van de uitbreidingdrift van de Engelsen. De Engelse kolonisten verspreidden zich door Massachusetts naar Connecticut en oostwaarts naar Long Island. De populatie groeide omdat steeds meer Engelsen hun thuisland verlieten uit geloofovertuiging of om persoonlijke redenen en dit bracht de Engelsen en de Hollanders tot op een afstand van 50 mijlen van elkaar. De Engelsen trokken westwaarts terwijl de kleine maar stevige Hollandse kolonie buitenposten bouwden aan het westeinde van Long Island.

De Hollanders bouwden ook een fort op de zuidpunt van het eiland Manhattan en New Amsterdam werd gesticht voor de boeren die het garnizoen bevoorraden. In 1636 werd New Amersfoort, de eerste nederzetting op Long Island gesticht bij een plek die Flatbush heette. Later werd de naam veranderd in Breukelen(Brooklyn), maar tot 1639 waren er zo weinig Hollandse kolonisten dat de indianen van Manhattan gewoon op het Noord einde van het eiland bleven leven.

Terwijl de Engelsen hun nederzettingen koloniseerden met de belofte van “Vrijheid, kozen de Hollanders “patroonschappen” als belofte om hun kolonisten in 1629 te lokken. Het systeem van de Hollanders was er echter een van leenheren en de meeste mensen moesten eerst het land voor de periode van tien jaar bewerken terwijl de patronen de eerste grote families van new York Stichtten: de van Rensselaers, Schuylers, Livingstons en anderen. De Amsterdamse parelhandelaar Lillian van Rensselaer, de eerste patroon stichtte Rensselarwyck aan de bovenstroom van de Hudson rivier in 1630 op het land dat hij zeven jaar later van de Mahican zou kopen. Zijn gebied besloeg een oppervlakte van 24 bij 48 mijlen ofwel het grootste deel van het toekomstige Albany en Rennsselaer County’s!

 

De handelsmaatschappij en de patronen kregen al snel ruzie met elkaar. Minuit werd weggestuurd omdat hij de Patronen voortrok en hij werd opgevolgd door Wouter van Twiller. Van Twiller bracht 104 Hollandse musketiers, mee, de eerste beroepsoldaten van de kolonie. Twiller was een 27 jaar oude man die door het huwelijk verwant was aan de van Rensselaers en vestigde zichzelf in “Greenwich village”. Ook verkreeg hij Long island van de Lenape, in de Red Hook en Gowanus buurten van het huidige Brooklyn en uiteindelijk in het bezit van 15.000 hectare grond. Nadat hij in 1638 gedwongen werd om zijn baan op te geven omdat hij het geld van de Maatschappij verkwiste ten behoeve van zichzelf, kocht hij ook nog Great Barcut island, wat later Ward’s Island werd in de oost rivier tussen Upper Manhattan en wat nu Queens is.

Twiller werd vervangen door Willem Kieft, in 1637 en dit was het begin van een werkelijk conflict in New Amsterdam.

 

Willem Kieft werd de vijfde gouverneur van New Holland op 2 september 1637, gevolgd door een curieuze persoonlijke geschiedenis. Kieft werd in 1600 in Amsterdam geboren en hij zou de handelsschool hebben gevolgd. Als handelaar was hij echter niet succesvol en hij werd ten schande gemaakt nadat hij twee bedrijven kapot had gemaakt. Nadat hij al een tijdje uit de handel was werd de failliete handelaar naar Turkije gestuurd om daar Christelijke gijzelaars vrij te kopen. De goedkopere gijzelaars werden vervolgens vrijgelaten en de duurdere gijzelaars bleven in de boeien, het verschil stak Kieft in zijn zak en als beloning werd hij Gouverneur van New Holland. Kieft kwam op 28 maart 1638 in New Amsterdam aan en de ontvangst was koel te noemen. De eerste persoon die hij ontmoette was de pastoor Evardus Bogardus. Bogardus was de tweede minister van de kolonie en hij werd de ondergang van Kieft. Het was ook Bogardus die Twiller beschuldigd had van mismanagement en hijzelf was ook beschuldigd van oplichting en hij wilde net naar Holland terugkeren toe Kieft hem vastzette. Kieft werd door zijn collegae energiek genoemd, maar helaas had hij weinig verstand van het besturen. Toen hij arriveerde trok hij ,meteen alle macht naar zich toe, vertrouwende op één adviseur, Dr. Johanna La Montagne. New Amsterdam lag er slecht bij en hij klaagde in zijn eerste brief aan Holland “ Het fort is aan alle kanten open, de kanonnen zijn ontmanteld;de huizen en publieke gebouwen zijn lang niet gerepareerd; ieder voertuig in de haven valt uit elkaar; er is maar één windmolen in gebruik en er is bijna geen personeel voor de boerderijen”.

Hoe dan ook, Kieft toonde in het begin inzet maar deze janboel van een kolonie kreeg al snel met een andere crisis te maken: Minuit, die wat betreft Kieft een voorbeeld gouverneur was, had een groep Zweden naar de Deleware rivier gebracht. Deze Zweden claimden nu het gebied dat ten westen van de rivier lag vanaf de watervallen bij Trenton tot aan Cape henlopen en zover landinwaarts als zij wilden. Kieft was woest over deze invasie en hij bracht een proclamatie uit, maar hij was machteloos er kon er niets tegen ondernemen. Lokaal liet hij echter diverse proclamaties uitgaan en hij verordende dat geen enkel document geldig was bij de rechtbank van New Holland als deze niet door de secretaris van de Kolonie was geschreven.

De aandacht van Kieft werd getrokken door de zaken die hij wel kon doen en dit was onder andere het opknappen en beter laten functioneren van de nederzetting. Hij koos Pearl street, een eenvoudige weg aan de oever van de Oost Rivier, als plaats voor de beste huizen. Er stond een windmolen op State Street en dichtbij waren een bakker en het handelshuis van de compagnie. Hij repareerde het fort en een privé brouwerij op Staten Island begon met het brouwen van het eerste bier in de Nieuwe Wereld.

New Amsterdam had het voormaat van een kleine stad tijdens het gouverneurschap van Kieft. Een muur in het noorden, gebouwd in 1653, vormde een defensie. De sociale druk binnen de kolonie nam langzaamaan toe en de staten generaal verordende een grote verandering in 1638. Het grootste deel van de regering zag in dat het een grote vergissing zou zijn om de nieuwe provincie alleen te bevolken met Compagnie afhankelijke mensen. De staten generaal stelde voor om de Compagnie, het bestuursrecht over New Nederland, af te nemen en het een kolonie van Nederland te maken. De Compagnie wilde natuurlijk de controle over het gebied niet overdragen, maar uiteindelijk werden ze in 1639 gedwongen het gebied open te stellen voor een ieder die er handel wilde bedrijven. Het effect hiervan was gigantisch. Er kwamen kolonisten vanuit New Engeland naar het gebied en ook vanuit Maryland en Virginia trokken kolonisten naar het noorden. Vanuit europa arriveerde er een gemêleerd gezelschap van schooiers tot rijken. Met hen arriveerde ook David de Vries, die een kolonie op Staten Island vestigde en een belangrijke rol in de toekomst van de kolonie zou spelen.

De nieuwe immigranten brachten al snel de behoefte aan boerderijen met zich mee, terwijl de druk toe nam van de Engelse expansiedrift vanuit Connecticut. Deze Engelsen vestigden een welvarend plaatsje Statford aan de westoever van de Houstonic rivier, vestigde Norwalk en Greenwich, verder ten westen op het Long Island Sound en dreigde op te rukken naar de Hudson Rivier.

Kieft wierp ondertussen een verdedigingslinie op door land van de indianen te kopen en zo een buffer te vormen tussen de Engelsen en de Hollanders.

New Amsterdam barstte ondertussen bijna uit zijn voegen. In 1641 werden er twee cafe’s gebouwd: Philip Geraerdy’s op de hoek van Stone en Whitehall en de City Tavern 9ook bekend als de Wooden Horse) op de hoek van Coentes Slip en Pearl Street. Die laatste werd later hernoemd tot het Stadt Huys.

Er wordt beweerd dat er tegen het jaar 1642, zo’n 12 verschillende talen werden gesproken in de kleine kolonie New Amsterdam en het jaar daarna werd er door Kieft aan een priester gemeld dat er 18 verschillende talen werden gesproken onder een bevolking van slechts 800. Naar schatting waren de helft van de inwoners op dat moment Hollanders en bestond de rest van de bevolking uit Duitsers, Engelsen, afrikanen, Scandinaviërs, Fransen en joden.
er waren slechts vijftien straten in de nieuwe hoofdstad en de stad breidde zich uit tot buiten de stadsmuren. Kieft besloot om twee veemarkten te laten bouwen en een gewone markt.

Tot nu was de aanpak van Kieft verstandig en zeer productief en zijn bestuur werd gemarkeerd door welvaart en vrede. Op de achtergrond speelde zich echter een politiek af, waarbij de Indianen in het gebied tot wanhoop gedreven werd. Zijn bondgenootschap met de Mohawk, met wie de Hollanders al jaren handelden in Fort Orange, wekte jaloezie bij de andere stammen langs de Hudson rivier. Daarnaast waren het oneerlijke handelaren die misbruik maakten van de Indianen wanneer deze dronken waren en Kieft weigerde hierop in te grijpen om zo in goede aarde bij de handelaren te vallen. Ook eiste hij een bijdrage aan huiden, Wampum en maïs van de stammen uit het gebied van Manhattan. Kieft was zich echter bewust van de groeiende onrust onder de indianen zeker nadat hij in 1640 een groep van 100 mannen naar de Raritans had gestuurd om een misdaad te vergelden waarvan Kieft wist dat zij hem niet begaan hadden. (wordt vervolgd….)