|
|
|
De Chiefs van de Oglala en de Brulé Sioux, waren nog erg ontevreden ten tijden van de verdragen van Oktober, 1865, maar de beslissing van deze stammen om een confederatie te vormen, werd niet erg serieus genomen door de overheid. President Johnson zei tegen het Congres:” De verdragen met de Indianen zijn gesloten, die weliswaar uitgelokt werden tot opstand, maar zich zonder voorwaarden geconformeerd hebben aan hun behoefte voor een vernieuwing van vriendschappelijke banden”.
De werkelijkheid lag echter anders omdat zowel de Oglala als de Brulé niet aanwezig waren bij het tekenen van het verdrag. Beide stammen waren het totaal niet eens met de voorwaarden. Er werd in die tijd goud ontdekt in Idaho en Montana en de overheid had ingestemd met het aanleggen van een nieuwe weg vanaf de California Trail bij Fort Laramie tot aan de Bozeman Trail in Montana. Deze weg zou dwars door de jachtgebieden van de Brulé en Oglala lopen en beschermd worden door diverse forten.
Spotted Tail van de Brulé en Red Cloud van de Oglala waren op dat moment machtige en invloedrijke Chiefs en brachten andere stammen tot inzicht wat het effect zou zijn van de aanleg van de weg. De bizon voorzag op dat moment nog steeds in de basisbehoeften van de Plains indianen( kleding, voeding, tenten) en zonder de bizon was het leven op de vlakten onmogelijk. Dit lot hing de Teton Sioux boven het hoofd. Het hele jaar 1865, hadden zij conflicten met de onderzoek groepen en deze probeerden hen te intimideren. In reactie hierop weigerden beide Chiefs aanwezig te zijn bij de besprekingen van het verdrag in Oktober.
Diegene die in het Indianengebied leefden wisten hoe het er werkelijk voorstond. Spotted Tail stond bekend als een vriendelijke Chief en men geloofde dat een verdrag met succes kon worden gesloten. Om dit te bereiken werd er in 1866 een commissie samen gesteld onder leiding van E.B. Taylor. Zij planden een ontmoeting bij Fort Laramie op 1 juni en in reactie op de uitnodiging verschenen er 2.000 Brulé en Oglala bij het fort. De opdracht van de Commissie was een vrede te sluiten en de voorwaarden voor het aanleggen van de weg te creëren. De indianen die het betreffende gebied niet direct gebruikten wilden wel meegaan in de plannen, maar de belanghebbende indianen weigerden koppig. Terwijl de onderhandelingen nog in volle gang waren, arriveerde Kolonel Henry B. Carrington in Fort Laramie samen met 700 mannen en gewapend met de bouwplannen voor de weg en de forten. In reactie op zijn komst verlieten Red Cloud en Man Afraid of His Horses, boos het overleg. Zij waren er van overtuigd dat er niet naar hen geluisterd zou worden.
Spotted Tail en Swift Bear, trokken op aandringen van de Agent Maynadier, samen met 1200 van hun Oglala en Brulé naar een gebied ten zuiden van de rivier de Platte in de hoop dat zij als vriendelijk aangemerkt zouden worden.
Vanaf 1 juli tot aan 21 december van het jaar 1866, doodden red Cloud en zijn krijgers 91 soldaten, 5 officieren en 58 burgers. Het grootste deel van dit aantal slachtoffers kwam voort uit één enkele veldslag en was zowel te danken aan de vermetelheid van kapitein Fetterman als aan de kwaliteiten van Red Cloud zijn krijgers. Kolonel Carrington was ondertussen, volgens bevel, begonnen met het aanleggen van de weg en het bouwen van de Forten. De indianen waren met een grote meerderheid en het gebied, maar kozen er toch voor om voorzichtig te werk te gaan. Zij vielen regelmatig de flanken van het kleine leger aan en doodden, die personen die te dicht bij hen in de buurt kwamen.
De Bouw van Fort Phil. Kearny, aan Piney Creek(een zijrivier van de Powder rivier), midden in het Bizon gebied, riep echter meer verzet op en het werd noodzakelijk om iedere bevoorradingstrein met een groot aantal soldaten te bewaken. Er vonden vaak conflicten plaats, maar Kolonel Carrington was doortastend bij het uitvoeren van zijn bevelen en voorzichtig met zijn manschappen. Dit tot ontevredenheid van zijn jongere manschappen, waaronder Kapitein Fetterman. Op 21 December 1866, werd deze Fetterman er met 80 zelfgekozen mannen op uitgestuurd om een belegerde houttrein te ontzetten. Tegen de bevelen in, besloot hij de achtervolging op de indianen in te zetten en liep in een hinderlaag. Als zijn manschappen werden gemarteld, afgeslacht en ontveld.
Na zo’n bloedige overwinning verwachtten de Indianen een wraakactie van de blanken en zij trokken zich snel terug en splitste zich in kleine groepjes. Zij bleven zich echter bezighouden met het aanvallen van de Forten Phil. Kearny, C.F. Smith en Reno. In de zomer van 1876 kregen de forten eindelijk de zo broodnodige versterkingen, munitie en betere wapens. De Garnizoenen die ieder moment een aanval van de indianen verwachten, bleven dicht bij de forten en hun kannonen. Toen de tijd daar was voor het aanleggen van een brandstof depot, werden er contracten gesloten met ondernemingen met de belofte van bescherming door het leger.
Het was kapitein James W. Powell die verantwoordelijk was voor de bescherming van de houthakkers bij Fort Kearny. Er waren twee houthakkerskampen, ongeveer een mijl van ekaar verwijdert. Één kamp werd beschermd door twaalf mannen en het andere kamp door 13 mannen, onder het bevel van een eerst verantwoordelijke. Samen met luitenant John C. Jennes bestond de groep dus uit 26 manschappen. Met zijn manschappen bouwde Powel een schuilplaats tussen beide kampen in. Hiervoor gebruikte hij zijn wagens als barricade. De Sioux hadden intussen de drukte bemerkt, maar niets wees er op dat er een grote aanval op handen was. Het was echter zo dat Red Cloud voornemens was op Fort Kearny te verpletteren en het eerste deel van zijn plan was om de Houttrein te veroveren. Het eerste deel van het Sioux- plan was om de muilezels op hol te laten slaan. Dit gebeurde op de ochtend van 2 augustus. De houthakkers en de buitenwacht werden gered door de moed van kapitein Powell, die een afleiding verzorgde, waardoor de indianen hun aanval op de houthakkers afbraken. Vervolgens trok Powell zich terug in de wagenkoraal. Toen tegen de avond de strijd voorbij was, sloten vier burgers zich bij Powell aan. De groep was goed bewapend met machinegeweren en hadden genoeg munitie. De beste schutters werden met de geweren bewapend en de anderen zouden deze laden. Nadat zij de houthakkerskampen geplunderd hadden, verzamelden de krijgers zich om Powell en zijn mannen aan te vallen. Er waren meer dan 3.000 krijgers en de vrouwen en kinderen hadden zich op de heuvels verzameld om het gebeuren te kunnen aanschouwen.
Een legertje van 500, goed gewapende bereden, krijgers vielen de koraal aan. Powell gaf het bevel niet te vuren tot de krijgers binnen een afstand van 15 meter waren en toen begonnen zij te vuren. De uitvoering had zijn werking en de indianen hadden nog nooit van deze wapens gezien(machine geweren), vele vielen door ter aarde en ze trokken zich terug. In reactie hierop gaf Red Cloud een aantal scherpschutters het bevel om de weg vrij te maken voor een nieuwe aanval. Red Cloud viel nog zes maal aan, maar ze boekten weinig resultaat voor de indianen. Verslagen begonnen de overlevende indianen hun slachtoffers van het slagveld te verwijderen. Powell werd door versterking ontzet en terug naar het fort geleid. Powell schatte dat hij zo’n 67 Sioux had gedood en er 120 had verwond. Zijn mannen waren er echter van overtuigd dat er zeker 300 tot 500 Sioux waren omgekomen. De Sioux zelf zwegen echter over het aantal slachtoffers zodat het exacte aantal ook niet bekend is.
Voordat deze confrontatie plaats had gevonden, was het congres al tot de conclusie gekomen dat het erg onrustig was aan de noordelijke grensgebieden, ondanks de verdragen van Edmund. In opdracht van het congres, op 20 juli 1867, werd er een vredescommissie samengesteld, bestaande uit N.G Taylor, J.B. Henderson, generaals Sharman, Harney, Sanborn, Terry, augurk en S.F. Tappan. Deze commissie kwam samen in St. Louis op 6 augustus. Er werd een boodschapper naar Red Cloud gestuurd dar er op 13 september een ontmoeting in Fort Laramie zou plaatsvinden waarbij de commissie aanwezig zou zijn. De chief en zijn volgelingen, hadden echter geen haast om de strijd te beëindigen en ze bleven de forten in de omgeving keer op keer aanvallen. Uiteindelijk leidde het er toe dat de weg naar Montana onbruikbaar was en de forten leeg stonden. Swift Bear, een vriendelijke Brulé was de vertegenwoordiger van de Commissie die Red Cloud bezocht. Hij werd echter onverrichter zaken teruggestuurd en deed zijn verslag bij de commissie. Hij vertelde hen dat Red Cloud en zijn mannen niet eerder dan in november zouden komen. Toen deze tijd aanbrak, stuurde Red Cloud de boodschap dat zijn vijandelijkheden te maken hadden met het behouden van de vallei van de Powder rivier voor zijn mensen en dat wanneer de troepen zich uit de forten zouden terugtrekken, hij de oorlog van zijn kant zou beindigen. De commissie stuurde vervolgens op boodschapper op pad om Red Cloud om een vrede te vragen totdat zij elkaar zouden ontmoeten, waarop de onvoorspelbare Red Cloud antwoordde dat hij hen in de volgende lente of zomer zou ontmoeten.
De leden van de commissie keerden in het voorjaar van 1868 terug in Fort Laramie en op 29 april hadden zij het voorstel tot vrede klaar. Veel van de Brulé en Oglala Chiefs, inclusief Spotted Tail en Man Afraid Of His Horses tekenden in april en mei van dat jaar. Red Cloud stuurde echter het bericht dat hij zou wachten totdat de legers zich uit de forten hadden teruggetrokken. De commissieleden adviseerden de overheid om aan de wensen van Red Cloud tegemoet te komen en op 27 augustus verlieten de troepen de forten volgens de voorwaarden van het verdrag. Vervolgens nam Red Cloud de tijd om op de Bizon te gaan jagen en de angst groeide dat de oorlog nog niet voorbij was;maar op 6 November verscheen hij bij Fort Laramie en tekende het verdrag, wat bevestigd werd door de senaat op 16 februari 1869. De “Red Cloud” oorlog was voorbij en de Sioux overwinning was compleet.
Het beroemde Fort Laramie verdrag van 1868 bleek echter onmogelijk in zijn geheel na te komen en de overtredingen van het verdrag waren de aanleiding van de Lakota oorlogen die nog zouden volgen. In het verdrag was een reservaat afgesproken zo groot als het deel van Zuid Dakota dat ten westen van de rivier de Missouri ligt. Toen het aantal kolonisten toenam en de behoefte aan land groter werd, was het weliswaar moeilijk maar niet onmogelijk geweest om het reservaat voor de indianen te behouden. Het meest onpraktische deel van het verdrag was echter het volgende:
“De Verenigde staten bepaald hierbij dat het gebied ten noorden van de rivier de North Platte en ten oosten van deze behoorde aan het BigHorn gebergte, behouden zullen blijven als Indiaans gebied en zullen erop toezien dat geen enkele blanke zich in het gebied vestigt; ook komen wij overeen dat binnen 90 dagen na het sluiten van het verdrag met alle bands van de Sioux natie, de in het gebied gelegen forten zullen worden verlaten en dat de weg die er naar toe leid zal worden gesloten”
Het behoud van de jachtgronden was hiermee dus bereikt, maar de uitvoering van het verdrag was maar van korte duur. De verdwijning van het wild leidde tot conflicten en al snel werd het weer onrustig n het gebied.
In de zomer van 1870 bezochten Red Cloud, Spotted Tail en anderen, Washington, waar overeengekomen werd dat het agentschap van Spotted Tail naar Whetstone verhuisd zou worden, verder weg van de invloeden van de nederzettingen aan de Missouri rivier. Aan Red Cloud werd beloofd dat hij voor zijn mensen een agentschap bij Fort Laramie zou krijgen. Vervolgens werden ze naar New York gebracht, waar Red Cloud bij Cooper Union geert werd met een opmerkelijke ontvangst.
De aanleg van de Noord Pacifische spoorweg ondervond veel vijandigheid en tijdens het jaar 1872 vonden er diverse conflicten plaats bij Fort Abraham Lincoln. In maart 1873, benoemde de commissaris van Indiaanse zaken, dominee J.P. Williamson en Dr. J.W. Daniels om de problemen te onderzoeken. Zij vonden de vijandige bij het agentschap van Red Cloud en hielden in mei een bijeenkomst met vertegenwoordigers van de Hunkpapa, Miniconjou en Sans Arcs. Van hen begrepen zij dat de Indianen ondervoed waren, maar zich sterk versetten tegen de onterechte komst van de spoorweg en de blanken op hun grondgebied. Generaal Philip Sheridan was op dat moment bevelvoerder van het departement van Missouri en hij besloot een einde aan het conflict te maken door een fort in de Black Hills te bouwen. Om dit mogelijk te maken, bezocht hij Fort Laramie in 1873, maar de aanwezige indianen waren zo tegen zijn plan dat hij besloot af te zien van Fort Laramie en Fort Abraham te nemen als basis voor zijn plan. Vervolgens gaf hij generaal Terry de opdracht om een expeditie samen te stellen onder leiding van kolonel Custer, die vervolgens de Black Hills moesten verkennen. Dit was echter een directe overtreding van het verdrag van fort Laramie. Custer kwam enthousiast terug van zijn tocht met verhalen over schitterden gebieden en met idee om er onmiddellijk aan te vangen met het delven van goud. Dit idee werd echter meteen te niet gedaan, door bevelen van generaal Sheridan in verband met het verdrag. In maart 1875, werd de professor Walter P. Jenney er op uit gestuurd om het gebied van de Black Hills Geologisch te verkennen. Bij hem waren luitenant Dodge met een troep van vierhonderd soldaten te bescherming. Jenney nontdekte goud en rapporteerde dit aan de overheid. Er werd een commissie samengesteld onder leiding van W.B. Allison en deze hadden de opdracht met de indianen te gaan onderhandelen over de eigendom van het gebied. Lange, geduldige onderhandelingen leidden echter tot niets en enkele avontuurlijk aangelegde goudzoekers trokken de Black Hills in. Tegen maart 1876 hadden zo’n 11.000 blanken zich in Custer city verzameld en voor de indianen was er nog maar een uitweg om te voorkomen dat de blanken hun land zouden betreden en dat was de strijd.
Terwijl dit alles plaatsvond verbleven Crazy Horse, American Horse, Gall en Sitting Bull in met bizon jachtgebied langs de rivier de Powder. Red Cloud en Spotted Tail bleven bij hun agentschappen, maar hun krijgers glipten stiekem weg, op zogenaamde jachtpartijen, waarop zij volgens het verdrag het recht hadden.
In December kregen de agentschappen de opdracht op hun krijgers te zoeken en deze naar de agentschappen te laten terug keren. Wanneer zij weigerden zouden zij als vijandige gezien worden. In feite was het bevel niet uit te voeren. De noordelijke vlakten waren in de winter ijzig koud en het was ondoenlijk om in deze periode te reizen. De boodschappers die op pad waren gestuurd kwamen dan ook terug met de mededeling dat hun mensen in de lente zouden terug keren.
Ondanks dat, kreeg de minister van oorlog op 1 februari te horen dat de indianen weigerden terug te keren en als vijandelijk moesten worden beschouwd en als zodanig moesten worden behandelt. De officieren, die hun rapporten berekenden op basis van gegevens van de agentschappen, gaven aan dat er niet meer dan 500 tot 800 krijgers weg waren, maar werkelijk moeten het er meer dan 5.000 zijn geweest die deel namen aan de Slag Bij Little Bighorn, dat jaar.
Generaal Crook kreeg de opdracht op de vijandige indianen te zoeken en hen te onderwerpen. Generaal Sheridan, nog steeds commandant van het Missouri district, plande om 3 collones te laten vertrekken. Één colonne onder de leiding van Crook vanuit Fort Fetterman, noordwest waards, een andere colonne onder de leiding van Terry vanuit Fort Abraham Zuidwest waards, de laatste colonne onder leiding van Gibbon vanuit fort Ellis zuidoostwaarts.
In maart, verkende generaal Crook met 800 manschappen de Rosebud regio. Het belangrijkste resultaat hiervan was de vernietiging van het kamp van Crazy Horse, de Sioux zelf vluchtten naar de heuvels.
Vervolgens vertrok Crook vanuit Fort Letterman met een leger van 1.000 soldaten op 29 mei en op 17 juni leverde hij strijd met Crazy Horse tijdens een veldslag nu bekend als de Battle of Rosebud, waarbij de indianen wonnen. Crook trok zich terug om op versterkingen te wachten en Crazy Horse vetrok om zich bij Sitting Bull te voegen.
Terry vertrok vanuit Fort Abraham Lincoln op 17 mei met 600 cavalerie en 400 infanterie. Op 9 juni trof hij de stoomboten met voorraden bij de mond van de rivier de Powder en trok hij verder langs de mond van de rivier de Rosebud. Hier trof hij verkenners van Gibbon, die vanuit fort Ellis gearriveerd was met 450 manschappen. Terry detacheerde Custer en stuurde hem op verkenning langs de rivier de Rosebud, terwijl hij de stoomboten nam om Gibbon te ontmoeten, die de Bighorn rivier zou optrekken om Custer te ontmoeten.
Custer begon op 22 juni, samen met zijn 800 manschappen, verkenners en gidsen, aan de verkenningstocht langs de rivier de Rosebud. Op de vroege morgen van de 24ste, zagen verkenners die ver vooruit waren, enkele Sioux jagers of verkenners. Later die dag brachten ze rapport uit aan Custer en vertelde dat de Sioux de vallei van de Little Bighorn waren overgestoken. Custer raakte enigszins opgewonden en gaf de opdracht aan de verkenners op het gebergte te beklimmen tussen de rivier de Rosebud en de Little Bighorn. De zon stond nu laag en de verkenners gingen op pad. De groep verkenners bestond uit luitenant Barnum, Mich Boyer een aantal Arikara en vijf Crow verkenners. Zij volgden de Rosebud tot ze bij een kreekje kwamen die de bergen inliep. Vervolgens volgde zij de kreek en bereikte de top van het gebergte. Hier ruste zij uit. Bij de aankomst op de top, trwijl de anderen gingen slapen, trokken Boyer en een Crow verkenner verder de berg op naar een hoger gelegen top, nu bekend als de Crows nest. Diep beneden hen lag de vallei van de Little Bighorn, waarover een dikke mist van rook hing, van een groot indiaans kampement. De Crow riep meteen de anderen te komen kijken. Boyer stuurde vervolgens een Arikara op pad om Custer te waarschuwen die op dat moment dicht bij het scheiding gebergte was aangekomen. Toen de Arikara aan kwam gerend, vroeg Custer hem of hij de Cutthroats(Sioux) had gezien. De Arikara overhandigde Custer zijn briefje met de boodschap. Custer las de boodschap en vertrok vervolgens met vier of vijf verkenners naar het Crows Nest, van waaruit hij het kampement een tijd bekeek en bestudeerde.
Vervolgens overlegde hij met zij verkenners, hij besprak de grondsoort en de route die ze het beste konden nemen. Vervolgens voegde hij zich weer bij zijn leger dat rechts onder hem was. In de vroege voormiddag trok het leger langs de westelijke uitloper van het Wolf gebergte en de open vlakten op en zo begon de meest trieste dag in de geschiedenis van het Amerikaanse leger met betrekking tot de strijd tegen de indianen. Voordat ze de omgeving van het uitkijkpunt verlieten werd de Crow verkenner, Hairy Mocassins, eropuit gestuurd om het kamp van dichtbij te bekijken. Terwijl hij verder de vallei in liep, langs de vaak vernoemde Death Lodge van de Sioux, beklom hij een met pijnbomen begroeide heuvel bij de kruising van de midden en noordelijke uitlopen van de Reno kreek. Hairy Mocassins reed terug naar Custer en bracht verslag uit van de grote van het kamp. Hierop besloot Custer het leger op te splitsen. Reno daalde verder af langs de linker kant van de vallei en had als verkenners bij zich:White Swan, Paints Half His Face Yellow, beide Crows, en een aantal Arikara. Het punt van waar hij zich van Custer afscheidde tot aan waar hij zijn strijd begon is zo’n 3,5 mijl.
Bij Custer waren de Crow verkenners:White Man Runs Him, Hairy Moccasins, Goes Ahead, en Curly, en Mitch Boyer als vertaler en verkenner. Het leger van Custer, boog naar rechts , langs een steile helling en toen over een smalle droge kreek om vervolgens de vlakte op te rijden. Op links was de groep van Reno op roep- afstand en terwijl Custer verder omlaag ging kon hij hen twee of drie minuten zien. Op de top van een heuvel, hield hij halt en stuurde een groep verkenners op vooruit.
Toen Custer zijn positie op de heuvel had ingenomen, kon hij waarschijnlijk de helft of ¾ van het kampement zien. Reno was inmiddels de rivier overgestoken en reed richting het Sioux kamp. De afstand tussen het scheidingspunt van de twee groepen en waar Custer nu stond was een mijl. Hemelsbreed was de afstand tussen de groepen hetzelfde en ze konden beide in 10 minuten in het kamp zijn. Custer stopte echter voor een kort moment en bekeek het kamp.
De grond voor hem was een richel die aan de ene kant stijl afliep naar de rivier en aan de andere kant geleidelijk afliep naar de rivier. Vanuit hier zou Custer zijn aanval op het kampement leiden. De topografie in het gebied verhinderde Custer en zijn staf om vanaf deze top het gehele gebied te kunnen overzien, hierop[ trok Custer verder naar beneden en passeerde hij de grond waar Reno later zijn onhoudbare verdediging positie zou kiezen. Custer volgde een tijdje de kam van een berg, passeerde een heuvel en had vervolgens weer het overzicht over de vallei. Nu bevond hij zich op het hoogste punt in het gebied en hij overzag het kampement perfect en kon ook het gebied goed overzien waarover Reno zou aanvallen. Custer vervolgde zijn route en reed een tijdje paralel aan de Vallei, om vervolgens naar links af te buigen dwars door de droge bedding van een Kreek die door de indianen Medicine Tail Coulee genoemd werd. Van uit hier reed hij naar de rivier en waarschijnlijk stak hij hier de ondiepe rivier over om de aanval in te zetten. De Sioux hadden hem nu echter ontdekt en verzamelden zich precies tegenover hem aan de overkant van de rivier. Als Custer het plan had gehad, hier de rivier over te steken, gaf het dit al snel op, nog voor hij de rivier zelf bereikte.
Custer gaf het bevel op terug de vallei in te rijden en week iets naar links af. Met Boyer en enkele andere stafleden zocht hij een hooggelegen punt op en steeg hij af en overzag de vallei en het kampement. Op dat moment staken aantallen indianen de rivier over en andere indianen beslopen de troepen van Custer. Intussen was de strijd van Reno in de vallei voorbij en had hij zich samen met Benteen teruggetrokken op de Bluffs. De gehele krijgsmacht van de Sioux was nu vrij op Custer aan te vallen.
Volgens de verhalen van bijna ontelbare Sioux krijgers, begonnen zij de aanval pas echt toen zij de Groep van Custer zagen. Custer zelf, schoot van een afstand op de indianen die het lef hadden dichtbij te komen. Boyer bevond zich in zijn buurt en de Crow verkenners bevonden zich bij de troepen. Op een bepaald moment riep Boyer één van de Crows bij zich, die vervolgens op handen en voeten naar hem toe kroop. Hij zei tegen hem: “je hebt gedaan wat we afgesproken hebben en ons bij de Sioux gebracht, keer nu terug naar de plains en leef verder”. De Crows bestegen hun paarden en vertrokken onder vuur van de Sioux, maar waren al snel buiten het bereik van de kogels. Teglijk met de terug tocht van de Crow, besteeg ook Custer zijn paard en gaf het bevel terug te trekken. Custer viel de Sioux nooit aan en het is niet duidelijk of hij zich terug trok om een betere positie te zoeken of om te vluchtten. Het was echter een feit dat het de grootste ondergang van het Amerikaanse leger tot dan was.
|